



Woord van de AG
Beste lezer
Het jaar 2025 was voor het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) opnieuw een jaar vol uitdagingen. 2025 bevestigde eens te meer het vermogen van het agentschap om zich aan te passen, te innoveren en zijn belangrijke rol in het kader van de volksgezondheid waar te maken.
In een omgeving die voortdurend verandert, is het FAGG zich blijven inzetten om de burgers toegang te garanderen tot veilige, doeltreffende en kwalitatieve geneesmiddelen en gezondheidsproducten. Dat engagement vertaalde zich in concrete acties op zowel nationaal als Europees niveau. Zo werkten we verder aan oplossingen voor onbeschikbare geneesmiddelen, de versterking van de internationale samenwerking en ontwikkelden we initiatieven om de continuïteit van de zorg voor patiënten te waarborgen.
De patiënt bleef daarbij centraal staan. De organisatie van de eerste ‘patiëntendag’ was een belangrijke stap voor de versterking van de dialoog met burgers en patiëntenverenigingen. Om onze informatie nog toegankelijker te maken, lanceerden we bovendien onze Instagram-accounts. Via deze kanalen kunnen we een breder publiek bereiken met betrouwbare, begrijpelijke en toegankelijke informatie.
Ook in 2025 bleef het FAGG innovatie actief ondersteunen. De inwerkingtreding van de Europese verordening voor klinische proeven en de actieve bijdrage van het agentschap aan talrijke Europese projecten tonen onze ambitie om onderzoekers te ondersteunen en innovatieve oplossingen te ontwikkelen, waarbij we tegelijkertijd hoge eisen blijven stellen op het gebied van kwaliteit, veiligheid en bescherming van proefpersonen.
Daarnaast investeerde het FAGG verder in de eigen organisatorische weerbaarheid. Met de invoering van een gestructureerde aanpak voor bedrijfscontinuïteitsbeheer versterken we onze capaciteit om onze kernopdrachten te blijven uitvoeren, ook wanneer zich ernstige verstoringen voordoen. Deze aanpak sluit aan bij onze voortdurende inzet voor verbetering en voorbereiding op toekomstige uitdagingen.
Ten slotte stond het jaar 2025 ook in het teken van het dossier rond de spermadonor met een mutatie in het TP53-gen. Deze uitzonderlijke situatie heeft de betrokken gezinnen diep geraakt en vergde maandenlang een aanzienlijke inzet van vele medewerkers van het agentschap. Het dossier heeft het FAGG er ook toe aangezet om grondig analyse- en reflectiewerk te verrichten om te bepalen welke lessen hieruit kunnen worden getrokken en welke verbeteringen moeten worden doorgevoerd. Tijdens dit proces hebben onze teams hun opdracht uitgevoerd met professionalisme, nauwkeurigheid en een voortdurende aandacht voor transparantie en de bescherming van de volksgezondheid.
De artikels in dit jaarverslag geven een beeld van de verscheidenheid aan taken die het FAGG dagelijks opneemt, en van de dagelijkse inzet van de medewerkers. Ik wil hen, samen met onze vele partners, oprecht bedanken voor hun deskundigheid, betrokkenheid en verantwoordelijkheidszin. Dankzij hun inzet kunnen we blijven inspelen op de uitdagingen van vandaag en ons voorbereiden op die van morgen.
Ik nodig u uit om op de volgende pagina’s kennis te maken met de belangrijkste realisaties van het jaar 2025.
Hugues Malonne
Administrateur-generaal van het FAGG

TP53-dossier
In 2025 zorgde het nieuws over een spermadonor die drager was van een genetische mutatie die op zijn nakomelingen kon worden overgedragen, voor ongerustheid bij het grote publiek en de wereld van de medisch begeleide voortplanting. Verschillende gezinnen kwamen te weten dat hun kind drager van deze mutatie kon zijn. Hun bezorgdheid en hun leed hebben uiteraard diepe indruk gemaakt op het hele FAGG, dat zich maandenlang heeft ingezet om de gezinnen te voorzien van de informatie die ze nodig hadden en een antwoord te geven op hun bezorgdheden. Tegelijkertijd heeft het agentschap alles in het werk gesteld om te achterhalen wat er was gebeurd en om de nodige maatregelen te identificeren om het risico dat een dergelijke situatie zich opnieuw voordoet zo veel mogelijk te beperken. Een ongeziene crisis waarvan de lessen een blijvende invloed zullen uitoefenen op de werking van het agentschap.
Onze gesprekspartners
De aanpak van het TP53-dossier heeft talrijke medewerkers van het FAGG gemobiliseerd. Sommigen hebben rechtstreeks deelgenomen aan de crisiscel, anderen hebben bijgedragen aan de werking ervan of aan de uitvoering van de maatregelen die daaruit voortvloeiden.
Voor dit jaarverslag hebben we de getuigenissen van een aantal van hen verzameld. Wetenschappelijke experten, inspecteurs, crisismanagers en leden van het directiecomité. Hun profielen en taken verschillen, maar ze hebben allemaal bijgedragen aan de afhandeling van dit uitzonderlijke dossier, met continu één prioriteit voorop: de bescherming van de volksgezondheid.
Dit zijn de belangrijkste geïnterviewden in dit artikel (in alfabetische volgorde).
De experten
Aliénor Hanthazi
Als wetenschappelijk expert en biovigilantie-evaluator bij het FAGG heeft zij een centrale rol gespeeld bij het inzicht in en de wetenschappelijke opvolging van het dossier. Zij leverde waardevolle kennis en wetenschappelijke analyses voor de aanpak van het dossier.
Nele Matthijs
Als afdelingshoofd van de afdeling Distributie van het directoraat-generaal Inspectie heeft zij haar praktijkervaring ingezet ten dienste van de crisiscel. Haar grondige kennis van de inspectieprocessen bleek van onschatbare waarde bij het begrijpen en opvolgen van het dossier.
De coördinatie van de crisiscel
Christelle Beeckmans
Als hoofd van de afdeling Kwaliteit en Organisatiebeheersing is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de oprichting van crisiscellen binnen het agentschap. In het kader van het TP53-dossier heeft zij ook de coördinatie van de auditcel verzorgd en toegezien op de algemene goede werking van het crisismanagementsysteem.
Valérie Nys
Als hoofd van het Strategy Realisation Office zorgde zij voor de coördinatie van de stuurgroepen en evaluatiecellen en daarmee voor de operationele coördinatie van het dossier. Ze centraliseerde de (aan)vragen, hield toezicht op de verschillende acties en bevorderde de samenwerking tussen de leden van het directiecomité.
De leden van het directiecomité
Erik Everaert
Als directeur-generaal van het DG POST vergunning, waaronder biovigilantie valt, heeft hij zijn expertise op het gebied van vigilantiemechanismen ingebracht, en ook zijn uitgebreide visie op de uitdagingen die gepaard gaan met de opvolging van het dossier.
Hugues Malonne
Als administrateur-generaal van het FAGG nam hij deel aan het beheer van deze crisis. Hij vertegenwoordigde het agentschap ook bij het overleg met de betrokken autoriteiten en instellingen, met name de beleidscel van de minister van Volksgezondheid en het Parlement.
Ethel Mertens
Als directeur-generaal van het DG Inspectie heeft zij bijgedragen aan de werkzaamheden van de crisiscel dankzij haar grondige kennis van de inspectieactiviteiten en de rol daarvan bij de bescherming van de volksgezondheid. Haar strategische visie heeft ervoor gezorgd dat de talrijke acties die de inspectieteams in het kader van dit dossier hebben ondernomen, goed konden worden begeleid.
Enkele sleutelelementen om het dossier beter te begrijpen
Het regelgevingskader voor spermadonatie in België
De Belgische wet van 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting (MBV) bepaalt dat één en dezelfde donor van gameten (sperma of eicellen) of embryo’s slechts bij maximaal zes verschillende vrouwen aan de basis mag liggen van de geboorte van kinderen.
Deze regel, die vaak de ‘zes-vrouwen-regel’ wordt genoemd, moet ervoor zorgen dat het aantal gezinnen dat een beroep doet op dezelfde donor wordt begrensd en dat bepaalde risico’s voor de volksgezondheid worden beperkt.
Hoe wordt de naleving van deze regel momenteel gecontroleerd?
Sinds 2024 beschikken de fertiliteitscentra over de applicatie Fertidata waarmee ze gegevens over donoren kunnen registreren.
Zodra een donor het toegestane quotum heeft bereikt, wordt hij/zij automatisch door het systeem geblokkeerd. Het centrum mag deze donor dan niet meer inzetten voor een nieuw gezin.
Er gelden wel voorwaarden om ervoor te zorgen dat de applicatie volledig functioneel is om de quota correct te controleren, met name een correct gebruik door de centra.
Het FAGG heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van de tool, maar heeft verder geen toegang tot de gegevens die daarin worden geregistreerd. Tijdens een inspectie in een fertiliteitscentrum voert het agentschap wel een controle van de gegevens uit.
De controle op fertiliteitscentra gebeurt voornamelijk via twee mechanismen: biovigilantie en inspecties.
Wat is biovigilantie?
Biovigilantie houdt in dat de risico’s in verband met menselijk lichaamsmateriaal worden gecontroleerd, vanaf de selectie van een donor tot en met de follow-up van de ontvangers, inclusief de donorkinderen.
Het doel is om elk incident en elke ongewenste bijwerking die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit en de veiligheid van het materiaal, voor de patiënt zelf en, in bredere zin, voor de volksgezondheid, snel op te sporen, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen en herhaling van dergelijke voorvallen kan worden voorkomen.
Instellingen voor menselijk lichaamsmateriaal en ziekenhuizen zijn dan ook wettelijk verplicht om elk incident of elke ernstige bijwerking te melden aan de bevoegde autoriteit — in België is dit het FAGG. Een dergelijke melding wordt een ‘biovigilantiemelding’ genoemd.
Het overschrijden van het quotum van zes vrouwen vormt op zich wel geen incident waarvoor de meldingsplicht geldt.
Naast nationale meldingen steunt de biovigilantie ook op Europese Rapid Alerts (externe link, opent in nieuw tabblad), een communicatiesysteem waarmee de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie snel informatie kunnen uitwisselen over een ernstig grensoverschrijdend gezondheidsrisico.
Elke melding wordt grondig onderzocht. Op basis van de onderzoeksresultaten zorgt het FAGG ervoor dat de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een soortgelijke situatie zich opnieuw voordoet, en zorgt het, wanneer nodig, voor een follow-up in samenwerking met de andere bevoegde diensten.
Hoe controleert het FAGG de fertiliteitscentra?
Het FAGG is verantwoordelijk voor de erkenning van de centra als banken voor menselijk lichaamsmateriaal, en voor de controle op de naleving van de wettelijke vereisten die op hun activiteiten van toepassing zijn.
Daartoe voert het agentschap regelmatig inspecties (externe link, opent in nieuw tabblad) uit, zowel aangekondigd als onaangekondigd.
“We moeten in gedachten houden dat fertiliteitscentra slechts een klein deel uitmaken van het doelgebied van onze inspecties. De activiteiten van het FAGG zijn veel breder”, benadrukt Ethel Mertens, directeur-generaal van het DG Inspectie.
Concreet onderzoeken de inspecteurs een groot aantal aspecten: procedures, traceerbaarheid, risicobeheer, kwaliteit, veiligheid en naleving van de regelgeving.
“Een inspectie omvat talrijke facetten. Onze inspecteurs besteden bijzondere aandacht aan alles wat van invloed kan zijn op de volksgezondheid, de gezondheid van patiënten of, in het geval van fertiliteitscentra, die van de ongeboren kinderen”, aldus Ethel Mertens.
Wanneer een overtreding wordt vastgesteld — zoals het overschrijden van het aantal vrouwen dat een donatie van dezelfde donor heeft ontvangen — kan het FAGG verschillende maatregelen nemen, in verhouding tot de ernst van de situatie: corrigerende en preventieve maatregelen (Corrective and Preventive Action, CAPA), een schriftelijke waarschuwing, administratieve maatregelen of, in bepaalde gevallen, overmaking van het proces-verbaal aan het parket.
Hoe kan het FAGG een overschrijding van het quotum opsporen?
Op dit moment bestaat er geen systeem waarmee het FAGG automatisch kan nagaan of de ‘zes-vrouwen-regel’ is overschreden.
Er zijn welverschillende manieren waarop het FAGG hiervan op de hoogte kan worden gebracht:
- Fertidata stelt de centra op de hoogte wanneer een donor het toegestane quotum heeft bereikt, maar geeft het FAGG geen toegang tot de geregistreerde gegevens. Een centrum kan het FAGG wel zelf op de hoogte brengen van een overschrijding als het die vaststelt via deze applicatie. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer een centrum een behandeling voor een zusje of broertje wil registreren (patiënte die vóór 2024 al een kind heeft gekregen), maar het quotum volgens de applicatie is bereikt;
- een overschrijding van het quotum in een bepaald centrum kan ook tijdens een inspectie worden vastgesteld;
- een Europese Rapid Alert of een melding van een centrum kan de aandacht van de biovigilantie ook vestigen op een problematische situatie.
In het licht van de lessen die uit het TP53-dossier zijn getrokken, werkt het FAGG momenteel in samenwerking met de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, aan de ontwikkeling van een nieuw instrument voor een efficiëntere opvolging van donoren, een meer systematische opsporing van quotumoverschrijdingen en een versterking van de toezichts- en controlecapaciteiten van de biovigilantie- en inspectieteams.
Wetenschappelijke en medische context
Het TP53-gen
In het dossier over de spermadonor draait alles rond het TP53-gen. Wat is dat precies?
Aliénor Hanthazi: “Het TP53-gen is een gen dat we allemaal hebben. In de zaak die we hebben onderzocht, was de spermadonor drager van een mutatie in dit gen. Het gaat om een zeldzame mutatie, maar die wel kan worden doorgegeven aan de biologische kinderen. De donor wist zelf niet dat hij drager was op het moment dat hij zijn donaties deed.”
Welke gevolgen kan deze mutatie hebben voor mensen die drager zijn?
A.H.: “Het TP53-gen is een tumoronderdrukkend gen dat verantwoordelijk is voor het opsporen van DNA-schade, mechanismen activeert om DNA-fouten te corrigeren of, wanneer nodig, celdood (apoptose) in gang zet om de proliferatie van abnormale cellen te voorkomen in geval van onherstelbare schade. Een gemuteerd gen verliest de beschermende functie. Gemuteerde cellen vermenigvuldigen zich ongecontroleerd, wat het ontstaan en de ontwikkeling van tumoren bevordert. Het TP53-gen speelt dus een rol bij de ontwikkeling van een groot aantal vormen van kanker bij de mens.
Deze mutatie kan dus zeer ernstige gevolgen hebben. Ze gaat gepaard met een verhoogd risico op het ontwikkelen van bepaalde vormen van kanker, soms al in de kindertijd of de adolescentie. Dat is net waarom deze zaak zo gevoelig ligt.”
Kan een dergelijke mutatie ook via een natuurlijke zwangerschap worden overgedragen?
A.H.: “Ja, absoluut. Ook bij een natuurlijke zwangerschap kunnen bepaalde genetische afwijkingen of aandoeningen aan de kinderen worden doorgegeven. Bij een donatie worden er verschillende controles uitgevoerd bij de selectie van de donoren om dit risico zoveel mogelijk te beperken, zoals een grondige anamnese, een volledig en nauwkeurig klinisch onderzoek en bijkomende testen als de situatie dit vereist. Het is, net als bij natuurlijke voortplanting, niet toegestaan om donoren systematisch volledig te screenen.
Dit verandert natuurlijk niets aan de realiteit waarmee de getroffen gezinnen worden geconfronteerd. Voor de kinderen die deze mutatie hebben geërfd en voor hun naasten blijft de situatie zeer moeilijk.”
Om hoeveel gezinnen gaat het in België?
A.H.: “Dat is één van de belangrijkste knelpunten in dit dossier. In België is de regel die het gebruik van dezelfde donor tot zes vrouwen beperkt, in dit specifieke geval niet nageleefd. Volgens de meest recente gegevens waarover wij beschikken, zijn er 53 kinderen geboren in 38 gezinnen. Niet alle kinderen hebben de mutatie geërfd. Maar, doordat het quotum werd overschreden, ligt het aantal kinderen dat hier mogelijk door wordt getroffen automatisch hoger dan wat het geval zou zijn geweest als de regel wel was nageleefd.”
De crisiscel van het FAGG
Het FAGG heeft een specifieke procedure voor crisisbeheer. Hoe is deze geactiveerd in het kader van het TP53-dossier?
Christelle Beeckmans: “Wij beschikken inderdaad over een formele procedure voor crisisbeheer. Ze bestaat al enkele jaren, maar is vóór het TP53-dossier nog nooit geactiveerd. Deze procedure bepaalt dat er een crisiscel wordt opgericht wanneer aan een aantal criteria is voldaan. Na een interne evaluatie zijn we tot de conclusie gekomen dat dit hier het geval was. Ik werd toen aangesteld als crisiscoördinator.”
Hoe wordt een crisiscel concreet georganiseerd?
C.B.: “De procedure voorziet in minstens drie cellen: een stuurgroep, een evaluatiecel en een communicatiecel. Al snel kwamen we ook tot het inzicht dat de kans groot was dat het FAGG aan audits zou worden onderworpen. Daarom beslisten we om een vierde cel op te richten die zich specifiek hiermee zou bezighouden, en waarvan ik de coördinatie op mij heb genomen.”
En wie coördineert het geheel van de acties?
C.B.: “Voor elke cel hebben we een celcoördinator aangesteld, die als taak had toe te zien op de werking van de cel. In deze zaak werd de rol van coördinator van de stuurgroep en de evaluatiecel toevertrouwd aan Valérie Nys, die de werkzaamheden van deze cellen heeft gecoördineerd.”
Wat hield uw rol concreet in?
Valérie Nys: “Mijn rol was om alle acties in verband met de crisis te coördineren. Alle vragen werden via een speciaal e-mailadres gebundeld, waardoor we een goed overzicht hadden van de situatie en de prioriteiten.”
Zijn de prioriteiten na verloop van tijd veranderd?
V.N.: “Ja, absoluut. In het begin was het vooral belangrijk om precies te begrijpen wat er was gebeurd. We moesten de beschikbare informatie verzamelen, met name op verzoek van de beleidscel van de minister van Volksgezondheid, het verloop van het dossier reconstrueren en nagaan of alle nodige maatregelen effectief waren genomen. Het doel was om een zo volledig en betrouwbaar mogelijk beeld van de situatie te krijgen.”
De bescherming van de volksgezondheid had dus prioriteit. Maar dat was slechts een deel van het werk …
V.N.: “Dat klopt. Tegelijkertijd moesten we heel veel (aan)vragen afhandelen. We stonden in contact met de pers, parlementsleden, beroepsverenigingen en het grote publiek. We hebben ook de parlementaire hoorzittingen voorbereid en talrijke communicaties opgesteld om een bijzonder complex dossier toe te lichten. Al dit werk is tot stand gekomen met de steun van de betrokken experten en de leden van de crisiscel, en in overleg met de beleidscel van de minister van Volksgezondheid. Mijn taak bestond erin al deze activiteiten te centraliseren en te coördineren.”
We zijn nu ruim een jaar na het begin van de crisis, hoe is de situatie nu?
C.B.: “Begin juni 2026 werd de crisiscel officieel opgeheven. Op dit moment bevinden we ons in de fase die we als ‘post-crisis’ kunnen omschrijven. We werken eraan om alle geïdentificeerde verbeteringen door te voeren, zodat een soortgelijke situatie zich niet opnieuw voordoet. We blijven vragen in verband met het dossier beantwoorden. En natuurlijk hervatten we geleidelijk aan bepaalde projecten die opzij moesten worden geschoven om de prioriteiten in verband met de crisis aan te pakken.”
V.N.: “De corrigerende maatregelen die rechtstreeks verband hielden met de donor, waren vrij snel afgerond. Wat ons de meeste tijd heeft gekost, waren de zeer talrijke informatieaanvragen van buitenaf: media, overheidsinstanties, burgers, verenigingen … Na verloop van tijd is het aantal daarvan afgenomen. We hebben het beheer ervan dan ook kunnen integreren in de gewone werking van het agentschap, zonder dat we een aparte crisisorganisatie in stand moesten houden.”
Het FAGG blijft vooruitkijken
Zoals na elke grote crisis is het nu tijd om lessen te trekken uit dit dossier en de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat een soortgelijke situatie zich opnieuw zou voordoen. Vanuit die overweging heeft de beleidscel van de minister van Volksgezondheid opdracht gegeven voor twee audits bij het FAGG.
De twee audits hadden verschillende doelstellingen …
Hugues Malonne: “Inderdaad. De eerste audit werd vrij snel na het uitbreken van de crisis gestart. Het doel was om te achterhalen wat er was gebeurd en na te gaan of bepaalde aspecten van onze biovigilantie- of inspectieprocedures moesten worden verbeterd. De tweede audit richtte zich meer op het algemeen bestuur van het volledige agentschap. Tot vandaag hebben we de conclusies ervan nog niet ontvangen.”
Wat waren de conclusies van de eerste audit?
H.M.: “De eerste belangrijke conclusie is dat de audit geen kritieke tekortkomingen aan het licht heeft gebracht. Met andere woorden, de audit heeft geen ernstige systematische tekortkoming in de werking van het agentschap aangetoond. Dat betekent wel niet dat alles perfect is. Het auditrapport bevat aanbevelingen, met name over inspecties, opvolging en de doorstroming van informatie. De auditors hebben ook gewezen op het hoge niveau van expertise van onze medewerkers, wat uiteraard een positief punt is. Aan de andere kant hebben ze ook vastgesteld dat het gebrek aan middelen een aanzienlijke invloed had op onze werking en één van de factoren was die bepaalde vastgestelde tekortkomingen verklaarden.”
Kort samengevat: geen ernstige tekortkomingen, maar wel verschillende verbeterpunten?
H.M.: “Dat klopt. Dat is trouwens ook het doel van een audit: vaststellen wat goed werkt, maar ook wat er kan worden verbeterd. We hebben deze aanbevelingen zeer serieus genomen en ze verwerkt in wat we ons ‘herstelplan’ hebben genoemd.”
Wat houdt dat herstelplan in?
H.M.: “Het plan wordt geleid door Dirk Ramaekers, voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid. Dat is een vrij logische keuze, aangezien hij ook al door de beleidscel van de minister van Volksgezondheid was aangewezen om het beheer van deze crisis te begeleiden.
Concreet is het plan opgebouwd rond drie grote pijlers.
De eerste pijler betreft de oprichting van een instituut gewijd aan het thema donoren, onder de verantwoordelijkheid van de FOD Volksgezondheid, en ook een ingrijpende herziening van de Fertidata-applicatie. De werkzaamheden zijn al opgestart.
De tweede pijler is een uitgebreid programma van thema-inspecties in fertiliteitscentra. Dat zijn bijna veertig inspecties. Ook daar zijn onze teams al volop mee aan de slag.
Ten slotte hebben we de derde pijler: de opvolging van het CAPA-plan – dat staat voor corrigerende en preventieve maatregelen — dat rechtstreeks voortvloeit uit de eerste audit. Dit omvat alle maatregelen die zijn geïdentificeerd om de verbeterpunten aan te pakken die door de auditors in kaart werden gebracht.”
Wat zijn de belangrijkste geplande veranderingen?
H.M.: “De prioriteit ligt duidelijk bij de versterking van onze middelen. De regering heeft middelen vrijgemaakt waarmee we zo snel mogelijk zes extra inspecteurs kunnen aanwerven die zijn gespecialiseerd in het domein van menselijk lichaamsmateriaal.
We werken ook aan het verbeteren van de informatie-uitwisseling binnen het agentschap. Kortom: wie moet waarover, wanneer en op welke manier worden geïnformeerd? We willen ervoor zorgen dat gevoelige informatie sneller naar de juiste beslissingsniveaus wordt doorgestuurd wanneer dat nodig is.
Ten slotte hebben we bepaalde onderdelen van onze inspectieschema’s aangepast om onze manier van werken nog beter op elkaar af te stemmen.”
Wanneer worden deze verschillende maatregelen doorgevoerd?
H.M.: “Een groot deel van het werk is al in volle gang. Alle grote projecten zijn van start gegaan. Sommige maatregelen kunnen snel worden doorgevoerd, terwijl andere meer tijd vergen. Dat geldt met name voor de herziening van Fertidata en voor de wervingsprocedures voor nieuwe inspecteurs. Maar het belangrijkste is dat alle maatregelen nu zijn opgestart.”
Een nieuwe tool om donoren op te volgen
De crisis bracht bepaalde beperkingen aan het licht van het systeem dat momenteel wordt gebruikt om te voorkomen dat de zes-vrouwen-regel wordt overschreden.
In die context werd er beslist om een nieuwe tool te ontwikkelen. Het systeem is gebaseerd op bepaalde principes van Fertidata, maar zal veel uitgebreidere functionaliteiten bieden voor een betere opvolging van de donoren en een betere traceerbaarheid van de donaties.
U bent verantwoordelijk voor de coördinatie van de ontwikkeling van deze nieuwe tool. Waarin zal het verschillen van Fertidata?
Valérie Nys: “Op dit moment werkt Fertidata voornamelijk als een teller. Als een donor het toegestane quotum bereikt, blokkeert het systeem de donor, waardoor deze niet meer voor een nieuw gezin kan worden ingezet. De gegevens zijn volledig geanonimiseerd. Het FAGG heeft geen toegang tot de ingevoerde gegevens.
Met de toekomstige tool gaan we veel verder. De tool zal zijn gebaseerd op nieuwe wetgeving, die momenteel op tafel ligt en die onder meer voorziet in het opgeven van de anonimiteit van donoren, het opladen van de historiek en de nodige toegang voor het FAGG. Dit opent nieuwe mogelijkheden op het gebied van traceerbaarheid en monitoring.”
Dus, informatie over donoren zal toegankelijk worden?
V.N.: “We weten nog niet precies welke gegevens beschikbaar zullen zijn. Alles hangt af van de wettekst die uiteindelijk zal worden aangenomen. Wat wel zeker is, is dat iedereen enkel toegang krijgt tot de informatie die hij of zij nodig heeft om zijn/haar taak uit te voeren.
Het FAGG zal bijvoorbeeld alleen toegang krijgen tot de gegevens die nodig zijn voor de biovigilantie- en inspectie-activiteiten. Het instituut dat binnen de FOD Volksgezondheid zal worden opgericht, zal andere informatie beheren. En mensen die bij een donatie zijn betrokken, zouden ook bepaalde gegevens over hun dossier moeten kunnen opvragen.”
Het doel is dus om een register te creëren waarmee biologische banden tussen personen die van dezelfde donor afstammen, kunnen worden achterhaald?
V.N.: “Je kan het inderdaad zo zien. Het wordt een register waarin een zeer grote hoeveelheid gegevens zal worden verzameld en dat een veel uitgebreidere traceerbaarheid mogelijk zal maken dan nu het geval is. Maar het is nog te vroeg om precies te beschrijven hoe het zal werken. De wet is nog niet aangenomen en het kan zijn dat het voorstel in de loop van de parlementaire besprekingen nog wordt aangepast.”
Zal de toekomstige wetgeving betrekking hebben op donaties die vanaf 2027 in België worden gedaan?
V.N.: “Dat is de bedoeling. Maar er moeten nog een aantal kwesties worden opgehelderd, met name over de donaties die plaatsvonden tussen 2007 en 2027. Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat het systeem alleen betrekking heeft op donaties binnen België. Als een donor ook in het buitenland is ingezet, zal die informatie daar niet noodzakelijkerwijs in voorkomen.”
Dat moet wel een enorme klus zijn!
V.N.: “Inderdaad. We zullen creatief te werk moeten gaan om een tool te ontwikkelen die, voor zover ik weet, vrij uniek zal zijn. De denkoefening is al gestart en de voorbereidingen zijn in volle gang. Maar we zullen moeten wachten tot het wettelijk kader definitief vastligt vóór we de tool kunnen opleveren. Daarna zal het doel zijn om de termijn tussen de goedkeuring van de wet en de ingebruikname van het nieuwe systeem zo kort mogelijk te houden.”
“Achter dit dossier zitten in de eerste plaats gezinnen aan wie we met nauwkeurigheid, transparantie en menselijkheid antwoorden hebben proberen te geven.”
Hugues Malonne, administrateur-generaal van het FAGG
Het zogenaamde “dossier spermadonatie” was in de eerste plaats een zware beproeving voor de gezinnen die rechtstreeks zijn betrokken. Maandenlang hebben de experten van het FAGG zich ingezet om hun bezorgdheden weg te nemen, zowel vóór als na de media-aandacht voor de zaak. Terugblik op een complex dossier dat de experten van het agentschap heeft gemobiliseerd, de procedures op de proef heeft gesteld en aanleiding heeft gegeven tot een grondige reflectie over de lessen die hieruit kunnen worden getrokken.
Eind mei 2025 werd tijdens het jaarlijkse congres van de European Society of Human Genetics het geval van een Deense donor met een mutatie in het TP53-gen gepresenteerd. Zijn sperma zou in verschillende Europese landen zijn gebruikt. Dit nieuws dat voor de betrokken gezinnen bijzonder zorgwekkend was en een Belgisch persartikel waarin de zaak aan de orde kwam, zette de minister van Volksgezondheid ertoe aan het FAGG te vragen de situatie in België in kaart te brengen en met terugwerkende kracht na te gaan of de gameten van deze donor door fertiliteitscentra waren gebruikt.
Geblokkeerde donor
Het FAGG had al verschillende maatregelen genomen tegen de bewuste donor. “We hoorden voor het eerst over deze donor in 2020, toen er melding werd gemaakt van een vermoeden van een genetische mutatie bij een donorkind (buiten België). De donor werd toen door de bank in quarantaine geplaatst, maar na afloop van het onderzoek weer vrijgegeven voor gebruik, aangezien de uitgevoerde testen negatief bleken. Op dat moment waren er nog geen afwijkingen vastgesteld”, leggen Aliénor Hanthazi en Erik Everaert uit.
Waarom is de mutatie destijds niet ontdekt? Er zijn verschillende hypothesen.
“De screeningsmethoden evolueren en worden met de tijd beter, en de testen van vandaag zijn veel nauwkeuriger dan die van vroeger.” Bovendien gaat deze mutatie gepaard met kiembaanmozaïsme, wat betekent dat er twee genetisch verschillende populaties gameten aanwezig zijn bij één en hetzelfde individu. Sommige cellen dragen de mutatie en andere niet. Het is dus mogelijk dat het staal dat destijds werd geanalyseerd voornamelijk uit gezonde cellen bestond, waardoor er geen positief resultaat kon worden vastgesteld”, verduidelijkt Aliénor Hanthazi. Begin oktober 2023 leidt een nieuwe melding tot een tweede quarantaineperiode voor de donor. Dit keer bevestigt het onderzoek de aanwezigheid van de mutatie. De bank blokkeert de donor dan definitief aan het einde van de maand en de bevoegde Deense autoriteit stuurt een Europese Rapid Alert uit naar alle lidstaten waarvan de fertiliteitscentra de gameten van de donor hebben gebruikt.
“Naar aanleiding van de Rapid Alert heeft het FAGG contact opgenomen met de bevoegde Deense autoriteit om na te gaan welke Belgische fertiliteitscentra sperma van de bewuste donor hadden ontvangen. Veertien centra bleken betrokken en voor elk daarvan gebeurde een biovigilantiemelding, zoals de wetgeving ter zake voorschrijft. Naar aanleiding van de crisis hebben we tijdens de opvolging van het dossier contact met hen opgenomen om ons ervan te vergewissen dat de gezinnen inderdaad op de hoogte waren gebracht. Het is belangrijk om erop te wijzen dat het FAGG geen directe toegang heeft tot de identiteit van de gezinnen, en ook niet tot het exacte aantal betrokken personen. Het contact moest verplicht via de centra verlopen”, benadrukken de experten.
Achteraf gezien geeft het agentschap toe dat het een eerste les uit deze gebeurtenis heeft geleerd.
“Wij zijn van mening dat we de gevoeligheid van de zaak eerder hadden moeten inschatten en bepaalde informatie sneller hadden moeten doorgeven, zeker aan de beleidscel van de minister van Volksgezondheid. Aangezien de meldingen geleidelijk aan binnenkwamen, werd het dossier vanuit technisch en regelgevend oogpunt behandeld, zonder dat de politieke impact ervan binnen het agentschap ten volle werd ingezien. Proactieve informatieuitwisselingmaakt dan ook deel uit van de verbeteringen die we de komende maanden zullen doorvoeren”, legt Hugues Malonne uit.
De administrateur-generaal benadrukt wel dat “het dossier volledig in overeenstemming met de procedureregels is afgehandeld.”
Als het dossier naar buiten komt
Op verzoek van de minister buigen de experten van het FAGG zich opnieuw over alle beschikbare gegevens. Niet alleen het biovigilantieteam wordt gemobiliseerd, maar ook de inspectieteams.
“De beleidscel heeft ons gecontacteerd met het verzoek om een stand van zaken op te maken van alle beschikbare informatie.” Het doel was om snel en transparant met het grote publiek te kunnen communiceren. De teams moesten onmiddellijk in actie schieten”, herinneren Ethel Mertens en Nele Matthijs zich.
Er werd toen een grondig onderzoek uitgevoerd. Er werd opnieuw contact opgenomen met de centra om een nauwkeurig beeld van de situatie te krijgen. De informatie kwam geleidelijk binnen, waardoor pas gaandeweg kon worden bepaald in welke mate de regel over het maximale aantal vrouwen per donor was overtreden. Tot nu toe gaat het om 38 gezinnen en 53 kinderen.
De openbare bekendmaking van het dossier gebeurde naarmate de informatie binnensijpelde.
“De centra hebben ons hun gegevens geleidelijk aan doorgegeven. De cijfers zijn dus gaandeweg veranderd naarmate we nieuwe gegevens ontvingen. Helaas kunnen deze aanpassingen de indruk hebben gewekt van een weinig coherente communicatie. In werkelijkheid maakte het FAGG de gegevens waarover het beschikte bekend op het moment dat het ze ontving, wat soms tot verwarring leidde”, betreurt Hugues Malonne.
Het dossier wekte al snel grote politieke belangstelling. Er werden verschillende parlementaire hoorzittingen (externe link, opent in nieuw tabblad) georganiseerd om zowel de TP53-zaak als de werking van de biovigilantie en de inspecties binnen het FAGG toe te lichten. Deze uitwisselingen leidden onder meer tot de uitvoering van twee externe audits.
Publicatie van de inspectierapporten: een grondig karwei
De beslissing om de inspectierapporten van de fertiliteitscentra openbaar te maken, was een groot project voor de betrokken teams.
“De publicatie van die rapporten was een gigantische klus. We konden ze uiteraard niet zomaar publiceren. We hebben tientallen, soms zeer omvangrijke rapporten moeten doorlopen om alle gegevens die onder het medisch beroepsgeheim vallen of tot de privésfeer behoren, te anonimiseren”, leggen Ethel Mertens en Nele Matthijs uit.
Naast de anonimisering moesten de documenten ook toegankelijk worden gemaakt voor een niet-gespecialiseerd publiek.
“Het was niet voldoende om de rapporten te publiceren. Ze moesten ook nog begrijpelijk worden gemaakt. De inspecteurs gebruiken technische terminologie, hun eigen afkortingen en een specifieke methodologie. Daarom hebben we een leeswijzer (externe link, opent in nieuw tabblad) uitgewerkt om het publiek te helpen de bevindingen en de gevolgen van eventuele vastgestelde tekortkomingen beter te begrijpen”, vervolgen de twee experten.
Crisiscel meer dan een jaar lang actief
Naast de regelgevende en beleidsmatige aspecten moest het agentschap ook reageren op de vele (aan)vragen van de pers, stakeholders en burgers.
“Onze teams hebben zich meer dan een jaar lang ingezet om de verschillende vragen in verband met dit dossier te beantwoorden”, getuigt Valérie Nys.
De werkdruk is hoog en de context is vaak emotioneel.
“Veel vragen weerspiegelden een legitieme bezorgdheid, die we volkomen begrepen. Sommige vragen werden ook met veel emotie gesteld, soms zelfs op agressieve toon. Dat is begrijpelijk in een dergelijke context, maar het blijft moeilijk om mee om te gaan als je er maandenlang dagelijks mee wordt geconfronteerd.”
Centraal in het systeem staat met name de expertise op het gebied van biovigilantie.
“Ik was de enige experte binnen het agentschap die was gespecialiseerd in dit vakgebied. Ik heb natuurlijk kunnen rekenen op de steun van mijn leidinggevende, Erik Everaert, en van mijn collega’s, maar het is een feit dat ik van alle kanten enorm onder druk stond”, benadrukt Aliénor Hanthazi.
Hoewel de crisiscel in juni 2026 is opgeheven, blijven onze experten werken aan zaken in verband met het TP53-dossier. “Het aantal vragen is weliswaar gedaald, maar er komen er nog altijd binnen. Ze maken nu gewoon deel uit van het ‘normale’ werk van onze experten. Dat was noodzakelijk geworden, omdat het agentschap en de experten zich ook aan andere taken moeten kunnen wijden; sommige taken moesten door onze experten uit tijdgebrek on hold worden gezet”, legt Valérie Nys uit.
“Voor het inspectieteam is een terugkeer naar een normaal werkritme wel nog niet mogelijk”, aldus Nele Matthijs. “Hoewel we nu in de post-crisis-fase zijn beland, blijft dit dossier een grote invloed hebben op de werking van het teamonder meerdoor het aanvullende programma van thema-inspecties, de vele vragen over de inspecties en de andere informatie-aanvragen die blijven binnenstromen.”
Een reële impact op de organisatie en de teams
Het beheer van een crisis van deze omvang heeft onvermijdelijk gevolgen voor de hele organisatie.
“Biovigilantie vormt slechts een relatief beperkt onderdeel van de activiteiten van het DG POST vergunning, en een nog kleiner onderdeel van de activiteiten van het agentschap. Toch heeft dit dossier een aanzienlijke hoeveelheid tijd en energie gekost. Sommige opdrachten konden niet wachten en zijn uitgevoerd, maar andere moesten worden uitgesteld”, legt Erik Everaert uit. “Hetzelfde geldt voor de teams van het DG Inspectie, waarvan een groot deel van de middelen ook werd ingezet voor de afhandeling van deze zaak”, voegt Ethel Mertens toe.
Dat geldt ook op strategisch niveau.
“Door deze crisis hebben we een hele reeks projecten moeten opschorten, waaronder belangrijke onderdelen van ons strategisch plan, dat we nu grondig moeten herzien”, voegt Hugues Malonne toe.
Boven op de organisatorische gevolgen benadrukken de verantwoordelijken de menselijke kant van de zaak.
“Ook onze teams hebben het zwaar te verduren gehad. Het onderwerp heeft ons allemaal diep geraakt, en de druk op de frontlinie heeft zich gedurende een lange periode op een zeer beperkt aantal mensen geconcentreerd”, vervolgt de administrateur-generaal.
“We mogen de menselijke impact van deze crisis niet onderschatten.” De druk, de spanning en soms de heftigheid van bepaalde interacties hebben hun sporen nagelaten. Een dergelijke reactie is begrijpelijk gezien de omstandigheden, maar heeft zwaar gewogen op de paar medewerkers die direct in de vuurlinie stonden. En dan mogen we ook de teams niet vergeten die niet rechtstreeks bij de zaak waren betrokken, maar die hun werklast hierdoor ook zagen toenemen”, voegt Erik Everaert toe.
“Gezien de uitdaging die deze crisis voor het agentschap heeft betekend – zowel op professioneel als op menselijk vlak – moeten we bijzondere aandacht besteden aan onze teams. Het is van essentieel belang dat we ervoor zorgen dat iedereen zich goed voelt en dat de nasleep, zowel op professioneel als op persoonlijk vlak, draaglijk blijft. Als manager is dat een absolute prioriteit”, concludeert Ethel Mertens.
Lessen trekken voor de toekomst
Naast het huidige herstelplan wil het FAGG het beheer van deze crisis grondig analyseren om er duurzame lessen uit te trekken.
“We zijn van plan grondig te evalueren hoe de crisis vanuit organisatorisch oogpunt is aangepakt. Hoe heeft de crisiscel gewerkt? Welke mechanismen zijn effectief gebleken? Welke moeten worden verbeterd? Deze analyse moet zo neutraal en objectief mogelijk worden uitgevoerd”, legt Christelle Beeckmans uit.
Volgens Hugues Malonne moet deze evaluatie ook inzicht geven in de sterktes die tijdens de crisis naar voor zijn gekomen.
“Sommige zaken hebben heel goed gewerkt en moeten we behouden. De crisis heeft met name de opmerkelijke expertise van onze medewerkers onder de aandacht gebracht. We hebben ook snel de juiste procedures in gang gezet en zijn gedurende het hele dossier trouw gebleven aan onze waarden door de gezondheid van de burgers voorop te stellen en voortdurend te streven naar transparantie.”
Hij ziet wel ook een belangrijk verbeterpunt.
“Wat soms wat moeilijker was, was om onze acties duidelijk te maken voor de buitenwereld. Dat is duidelijk nog voor verbetering vatbaar.”
En hij concludeert:
“Onze bestaansreden is om actief bij te dragen aan de implementatie, handhaving en continue verbetering van alle elementen die essentieel zijn voor de bescherming van de volksgezondheid, zowel in België als in Europa en op internationaal niveau. Dit is een ambitie die wordt gedeeld door alle medewerkers van het FAGG. Dit doel met nauwgezetheid, toewijding en professionaliteit nastreven, is altijd onze absolute prioriteit geweest en zal dat ook blijven.”


Enkele sleutelelementen om het dossier beter te begrijpen
Het regelgevingskader voor spermadonatie in België
De Belgische wet van 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting (MBV) bepaalt dat één en dezelfde donor van gameten (sperma of eicellen) of embryo’s slechts bij maximaal zes verschillende vrouwen aan de basis mag liggen van de geboorte van kinderen.
Deze regel, die vaak de ‘zes-vrouwen-regel’ wordt genoemd, moet ervoor zorgen dat het aantal gezinnen dat een beroep doet op dezelfde donor wordt begrensd en dat bepaalde risico’s voor de volksgezondheid worden beperkt.
Hoe wordt de naleving van deze regel momenteel gecontroleerd?
Sinds 2024 beschikken de fertiliteitscentra over de applicatie Fertidata waarmee ze gegevens over donoren kunnen registreren.
Zodra een donor het toegestane quotum heeft bereikt, wordt hij/zij automatisch door het systeem geblokkeerd. Het centrum mag deze donor dan niet meer inzetten voor een nieuw gezin.
Er gelden wel voorwaarden om ervoor te zorgen dat de applicatie volledig functioneel is om de quota correct te controleren, met name een correct gebruik door de centra.
Het FAGG heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van de tool, maar heeft verder geen toegang tot de gegevens die daarin worden geregistreerd. Tijdens een inspectie in een fertiliteitscentrum voert het agentschap wel een controle van de gegevens uit.
De controle op fertiliteitscentra gebeurt voornamelijk via twee mechanismen: biovigilantie en inspecties.
Wat is biovigilantie?
Biovigilantie houdt in dat de risico’s in verband met menselijk lichaamsmateriaal worden gecontroleerd, vanaf de selectie van een donor tot en met de follow-up van de ontvangers, inclusief de donorkinderen.
Het doel is om elk incident en elke ongewenste bijwerking die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit en de veiligheid van het materiaal, voor de patiënt zelf en, in bredere zin, voor de volksgezondheid, snel op te sporen, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen en herhaling van dergelijke voorvallen kan worden voorkomen.
Instellingen voor menselijk lichaamsmateriaal en ziekenhuizen zijn dan ook wettelijk verplicht om elk incident of elke ernstige bijwerking te melden aan de bevoegde autoriteit — in België is dit het FAGG. Een dergelijke melding wordt een ‘biovigilantiemelding’ genoemd.
Het overschrijden van het quotum van zes vrouwen vormt op zich wel geen incident waarvoor de meldingsplicht geldt.
Naast nationale meldingen steunt de biovigilantie ook op Europese Rapid Alerts (externe link, opent in nieuw tabblad), een communicatiesysteem waarmee de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie snel informatie kunnen uitwisselen over een ernstig grensoverschrijdend gezondheidsrisico.
Elke melding wordt grondig onderzocht. Op basis van de onderzoeksresultaten zorgt het FAGG ervoor dat de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een soortgelijke situatie zich opnieuw voordoet, en zorgt het, wanneer nodig, voor een follow-up in samenwerking met de andere bevoegde diensten.
Hoe controleert het FAGG de fertiliteitscentra?
Het FAGG is verantwoordelijk voor de erkenning van de centra als banken voor menselijk lichaamsmateriaal, en voor de controle op de naleving van de wettelijke vereisten die op hun activiteiten van toepassing zijn.
Daartoe voert het agentschap regelmatig inspecties (externe link, opent in nieuw tabblad) uit, zowel aangekondigd als onaangekondigd.
“We moeten in gedachten houden dat fertiliteitscentra slechts een klein deel uitmaken van het doelgebied van onze inspecties. De activiteiten van het FAGG zijn veel breder”, benadrukt Ethel Mertens, directeur-generaal van het DG Inspectie.
Concreet onderzoeken de inspecteurs een groot aantal aspecten: procedures, traceerbaarheid, risicobeheer, kwaliteit, veiligheid en naleving van de regelgeving.
“Een inspectie omvat talrijke facetten. Onze inspecteurs besteden bijzondere aandacht aan alles wat van invloed kan zijn op de volksgezondheid, de gezondheid van patiënten of, in het geval van fertiliteitscentra, die van de ongeboren kinderen”, aldus Ethel Mertens.
Wanneer een overtreding wordt vastgesteld — zoals het overschrijden van het aantal vrouwen dat een donatie van dezelfde donor heeft ontvangen — kan het FAGG verschillende maatregelen nemen, in verhouding tot de ernst van de situatie: corrigerende en preventieve maatregelen (Corrective and Preventive Action, CAPA), een schriftelijke waarschuwing, administratieve maatregelen of, in bepaalde gevallen, overmaking van het proces-verbaal aan het parket.
Hoe kan het FAGG een overschrijding van het quotum opsporen?
Op dit moment bestaat er geen systeem waarmee het FAGG automatisch kan nagaan of de ‘zes-vrouwen-regel’ is overschreden.
Er zijn welverschillende manieren waarop het FAGG hiervan op de hoogte kan worden gebracht:
- Fertidata stelt de centra op de hoogte wanneer een donor het toegestane quotum heeft bereikt, maar geeft het FAGG geen toegang tot de geregistreerde gegevens. Een centrum kan het FAGG wel zelf op de hoogte brengen van een overschrijding als het die vaststelt via deze applicatie. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer een centrum een behandeling voor een zusje of broertje wil registreren (patiënte die vóór 2024 al een kind heeft gekregen), maar het quotum volgens de applicatie is bereikt;
- een overschrijding van het quotum in een bepaald centrum kan ook tijdens een inspectie worden vastgesteld;
- een Europese Rapid Alert of een melding van een centrum kan de aandacht van de biovigilantie ook vestigen op een problematische situatie.
In het licht van de lessen die uit het TP53-dossier zijn getrokken, werkt het FAGG momenteel in samenwerking met de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, aan de ontwikkeling van een nieuw instrument voor een efficiëntere opvolging van donoren, een meer systematische opsporing van quotumoverschrijdingen en een versterking van de toezichts- en controlecapaciteiten van de biovigilantie- en inspectieteams.








































“Het jaar 2025 werd afgesloten met een positieve balans voor het speerpunt Vaccins. De genomen acties hebben de expertise versterkt, innovatie gestimuleerd, de communicatie verbeterd en de nationale en internationale samenwerkingen uitgebreid. Zo staat het speerpunt Vaccins sterk voor de komende jaren.”

“ATMP’s bieden een enorm potentieel voor zeldzame ziekten en bieden oplossingen voor medische behoeften waarvoor momenteel geen behandeling bestaat. Maar hun complexiteit vereist wetenschappelijke en regulatoire flexibiliteit, en vroege interacties tussen alle partners. Het speerpunt ATMP werd opgezet om de volledige levenscyclus van deze therapieën te ondersteunen: van klinische proeven tot vergunning voor het in de handel brengen en opvolging.”








“Die overgang verliep zonder noemenswaardige hinder. Het FAGG behandelde meer dan vijfhonderd initiële aanvragen en meer dan tweeduizend wijzigingen binnen de nieuwe regelgeving, en deed dat consequent binnen de vastgelegde termijnen. Ook de laatste studies die nog onder het oude systeem vielen, werden tijdig overgezet. Dat illustreert dat het agentschap dankzij een intensieve pilootprocedure klaar was voor de nieuwe manier van werken en dat de interne processen goed op elkaar zijn afgestemd. Voor sponsors en onderzoekers vertaalt zich dat in voorspelbaarheid en vertrouwen, twee essentiële voorwaarden voor een aantrekkelijk onderzoekslandschap.”
“Deze rol draagt bij aan een meer geharmoniseerde en efficiënte aanpak van veiligheidsvraagstukken binnen Europa. Door samen te werken met andere lidstaten versterken we de coherentie van beoordelingen, terwijl we een pragmatische aanpak behouden die innovatie ondersteunt, met de bescherming van proefpersonen als absolute prioriteit.”














